Over de herkomst en betekenis van onze familienaam Diebrink
Hoe in 1821 de naam Diebrink ontstond
Zoals in de stamreeks is te zien, is de naam Diebrink pas ontstaan in 1821, en wel door een foutieve geboorteaangifte.
Ten tijde van de geboorte van Gerrit Jan Diebrink waren zijn ouders nog niet getrouwd en was zijn vader Johannes Dieperink in militaire dienst.
De aangifte werd gedaan door de stiefvader van moeder Fennetje Top. Daarbij werd verteld dat de jonge vader Johannes verloofd was met Fennetje.
Het kind werd door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand ingeschreven met de familienaam Diebrink.
Of dit een fout was van de ambtenaar of van de aangever, is niet bekend.
Later bij het huwelijk van Johannes en Fennetje werd Gerrit Jan erkend, maar zijn familienaam bleef ongewijzigd.
Dus zullen we nu verder kijken waar de naam Dieperink vandaan komt.
Over het ontstaan van familienamen
Tot laat in de Middeleeuwen hadden veel mensen slechts één naam, de doopnaam.
Pas later werd achter de doopnaam een toenaam vermeld: de naam van de vader of moeder, een geografische naam, een aanduiding van het beroep, of een bijnaam.
Eerst was deze toenaam nog vrijblijvend, pas in de 16e eeuw zijn bepalingen te vinden, dat men voor officiële stukken niet zomaar een willekeurige toenaam mocht opgeven.
Een wettelijke regeling met betrekking tot de familienaam kwam pas in 1811, toen na de inlijving bij Frankrijk ook hier de Franse wetten van kracht werden.
Maar ook na 1811 kwam het nog voor, dat mensen van naam veranderden.
Daarom werden deze mensen in 1825 bij Koninklijk Besluit gelast om een vaste geslachtsnaam te kiezen.
Met name kwam dit toen nog voor in de Achterhoek, waar het gebruikelijk was om de naam van de boerderij als "familienaam" te gebruiken.
Na een verhuizing nam men aldus een nieuwe naam aan!
Ook gebeurde dit als een man "introuwde" op de boerderij van de vrouw.
Dit gebruik wordt trouwens tot op de dag van vandaag (officieus) in ere gehouden.
De oudste vorm van toenamen zijn de vaders- en moedersnamen, het "patronymicum" en het "metronymicum".
Dit komt wereldwijd voor.
In Nederland kennen we twee groepen patronymica: de "-ing vorm" en de toevoeging -zoon of tweede naamvals uitgang.
Voor ons is dus de toegevoegde -ing van belang, dit heeft de betekenis: zoon of nakomeling van de persoon achter wiens naam het geplaatst is.
Ook kwam het wel voor, dat de toenaam niet aan de vader, maar aan de grootvader werd ontleend.
De "-ing vorm" kent een groot aantal schrijfwijzen: -ing, -ingh, -ingk, -ink, inck, -inch, -ynck, -inge, -eng, -ung, -ong, -ig, -ik; in Friesland: -inga, -ingha, -enga, -unga, -ega, -ia, -ja en -je.
Al in de 8e eeuw komen we echter ook voornamen tegen op -ing.
Nog complexer wordt het, wanneer we weten, dat de -ing uitgang uit de vroeggermaanse tijden stamt, met als hoofdbetekenis "behorende aan".
De naam Dieperink
de patronymica van Detmer en Ditmar
In de literatuur vinden we de volgende verklaringen voor onze familienaam:
De voornamen Detmer, Ditmar en Dethmar zijn tweestammige Germaanse namen met ongeveer de betekenis "beroemd onder het volk", afgeleid uit "diet-" ( = volk) en "-mar" ( = beroemd, vermaard), te vergelijken met het Griekse Democles.
De patronymica van Detmer en Ditmar zijn: Dethmers, Detmer, Detmering, Detmers, Dettmer, Diemer, Diemers, Dieperinck, Diepering, Dieperink, Dimmer, Ditmaar, Ditmar, Ditmars, Ditmarsch, Dittmar en Dittmer.
boederijnamen
Wanneer iemand in de Middeleeuwen zich ergens als boer vestigde, dan werd zijn huis of erf naar hem vernoemd en zo werd een persoonsnaam tot een naam, die in de categorie der plaatsnamen thuis hoort.
Deze overgang werd met name voor de -ing vormen vergemakkelijkt, doordat de uitgang -ing ook wel het begrip "woonplaats van" of "gelegen bij" weergaf; in deze betekenis werd het aan aardrijkskundige namen toegevoegd.
Wanneer een erf van eigenaar of bewoner wisselde, dan kon het zowel met de naam van de oude, als met de naam van de nieuwe bewoner worden aangeduid.
In de latere eeuwen zien we het omgekeerde: toen de boerderijnamen in feite plaatsnamen waren geworden, toen noemde de bewoner zich naar het erf en gaf zijn eigen naam op, bijvoorbeeld wanneer hij bij zijn schoonouders introuwde.
conclusie
Uit het bovenstaande, in combinatie met de door ons gevonden feiten, kunnen we een voorzichtige conclusie trekken.
In de Middeleeuwen zijn er op minstens drie plaatsen boerderijen ontstaan met de naam Dieperink of Deperink, te weten in Noordijk, in Vragender en in Reutum.
Er is geen enkele reden om aan te nemen, dat er tussen de bewoners naar wie deze drie boerderijen werden genoemd, enige familieband bestond.
Latere generaties van die eerste bewoners, maar vrijwel zeker volgende bewoners of eigenaren van die boerderijen, hebben de naam van de boerderij als familienaam aangenomen.